Wie door Paramaribo loopt en de naam “winkri” hoort, denkt onmiddellijk aan een Chinese buurtwinkel. Het is geen toeval. Sinds 1853 — tien jaar vóór de officiële afschaffing van de slavernij vormen Chinese migranten een onmisbare schakel in het Surinaamse handelsweefsel. Van contractarbeider op de plantage tot import-exporteur, van eetgelegenheid tot bouwmaterialen: het Chinese ondernemerschap in Suriname kent een geschiedenis van bijna twee eeuwen.
1853: de eerste “kuli”-schepen uit Java en China
De Nederlandse koloniale autoriteiten zagen de afschaffing van de slavernij (gepland voor 1863) aankomen en zochten naar nieuwe arbeidskrachten voor de plantages. In 1853 kwamen de eerste 18 Chinese contractarbeiders aan in Paramaribo, gerekruteerd via Java — voornamelijk Hakka-sprekers uit de zuid-Chinese provincies Guangdong en Fujian. In de jaren erna volgden grotere groepen, waaronder 500 mannen die rechtstreeks vanuit Hongkong en Macau werden verscheept. De arbeidsomstandigheden op de suiker- en koffieplantages waren keihard en de contracten zwaar, maar wie zijn vijf jaar uitzat kreeg vrijheid van beweging.
Van plantage naar winkel: het ontstaan van een ondernemersklasse
Vrijwel direct na het aflopen van hun contracten verlieten de Chinese arbeiders de plantages. Anders dan de later aankomende Hindoestaanse en Javaanse arbeiders, die voor een groot deel boer bleven, kozen de Chinezen massaal voor de handel. De redenen waren cultureel én pragmatisch: in zuidelijk China bestond al een eeuwenlange handelstraditie, en Paramaribo had behoefte aan kleine winkeliers die de verspreide Creoolse en districtsbevolking konden bedienen.
Tegen 1900 bezat een Chinees zo’n driekwart van alle “winkris” (kruidenierswinkels) in en rondom Paramaribo. Een typisch model: één familielid runde de winkel, broers en neven werden één voor één uit China gehaald om een eigen vestiging te openen. Bestellingen liepen via één centrale familie-importeur in Paramaribo, die direct met Hongkong en later Singapore zaken deed. Krediet werd binnen de familie geregeld, prijzen werden afgestemd. Dit netwerkmodel, wat economen later “de Chinese diaspora-economie” zouden noemen, bleek extreem efficient en moeilijk te beconcurreren.
Pioniers: bekende Chinees-Surinaamse ondernemingen
Sommige families groeiden uit van eenvoudige winkeliers tot belangrijke economische spelers:
- Kong Ngie Tong Sang — opgericht in 1880 als handelsvereniging, wat ook de oudste nog bestaande Chinese organisatie van Suriname is. Veel Hakka-immigranten kregen via Kong Ngie Tong Sang hun eerste lening, vestigingscontact en taalondersteuning.
- Fa Tjauw Song Foei — opgericht in 1893, een vergelijkbare ondersteunings- en handelsvereniging die nog steeds actief is in Paramaribo.
- De familie Chin A Sen — uitgegroeid van een winkel in Commewijne tot belangrijke spelers in detailhandel, toerisme en uiteindelijk politiek (Henk Chin A Sen werd in 1980 de eerste president van de Republiek Suriname).
- De familie Tjon A Hung — bekend van import-export in bouwmaterialen en supermarkten.
- De familie Kang — pioniers in de horeca en later in de bouw.
De tweede golf: Fuzhou-migranten vanaf de jaren negentig
Na de Surinaamse onafhankelijkheid (1975) en de Binnenlandse Oorlog (1986–1992) emigreerden veel Chinees-Surinamers naar Nederland. Tegelijk kwam vanaf het einde van de jaren negentig een nieuwe golf migranten op gang, dit keer voornamelijk Mandarijn- en Fuzhou-sprekers uit de provincie Fujian. Schattingen lopen uiteen, maar onderzoekers spreken over 30.000–50.000 nieuwe Chinese migranten naar Suriname tussen 1998 en 2015.
Deze tweede golf transformeerde het straatbeeld opnieuw: nieuwe supermarkten, restaurants, telefoon- en computerzaken, en bouwbedrijven verschenen overal. Chinese aannemers werkten mee aan grote infrastructuurprojecten zoals wegenbouw, woningbouw en de aanleg van het Da Vinci-ziekenhuis. De handelsbanden tussen Suriname en China werden hierdoor flink versterkt.
Spanningen, integratie en bijdrage aan de natie
De Chinese aanwezigheid is niet altijd zonder discussie geweest. De snelle nieuwe migratiegolf leidde rond 2010–2015 tot maatschappelijke spanningen rondom werkvergunningen, prijsconcurrentie en taalbarrières. Tegelijkertijd is de bijdrage van de Chinese gemeenschap aan Suriname onomstreden: van het netwerk van “winkri-winkels” in elk dorp, tot de fundamenten van de moderne importhandel, tot bijdragen aan onderwijs (de Chinese school van Paramaribo), media (Chinees-Surinaamse kranten) en politiek.
De Chinese keuken als culturele brug
Geen Surinaamse warung of feest zonder tjap-tjoi, moksi-meti, bami of nasi. Deze gerechten — oorspronkelijk Kantonees of Hakka — zijn zo verweven geraakt met de Surinaamse keuken dat veel Surinamers ze als “eigen” beschouwen. Het is een van de duidelijkste voorbeelden van geslaagde culturele integratie.
Vandaag: tussen twee culturen, één identiteit
De Chinees-Surinaamse gemeenschap telt vandaag naar schatting 70.000 mensen in Suriname plus een aanzienlijke diaspora in Nederland (vooral Amsterdam, Den Haag en Almere). Veel jonge Chinees-Surinamers spreken Nederlands en Sranantongo als moedertaal, en herontdekken hun Hakka- of Kantonese roots als bewuste keuze. In Paramaribo viert de gemeenschap jaarlijks Chinees Nieuwjaar met drakendansen en vuurwerk. Op 20 oktober wordt sinds 2014 de officiële Dag van de Chinese Surinamer gevierd ter herdenking van de aankomst in 1853.
Van bange contractarbeider tot zelfverzekerde ondernemer, van geïsoleerde winkelier tot import-exporteur, van president Chin A Sen tot de jongste Hakka-bakker in Paramaribo Zuid: de Chinees-Surinaamse onderneminggeest is een van de belangrijkste motoren onder de Surinaamse economie geweest — en blijft dat.
— Stichting Suriname Global Group