Bijna vier eeuwen lang heeft de Joodse gemeenschap in Suriname een opmerkelijke en complexe rol gespeeld in de geschiedenis van het land. Van de stichting van Jodensavanne ,de enige autonome Joodse landbouwnederzetting in de Amerika's , tot de hedendaagse synagoge die zij aan zij staat met een moskee in hartje Paramaribo, vertelt dit verhaal over vluchten en aankomen, over vrijheid en onrecht, en uiteindelijk over tolerantie.
In één oogopslag
- 1639 — Eerste Sefardische Joden in Thorarica
- 1665 — Uniek privilege: volledige godsdienstvrijheid en eigen rechtspraak
- 1685 — Synagoge Beracha ve Shalom in Jodensavanne
- 1719 — Asjkenazische synagoge Neve Shalom in Paramaribo
- 1832 — Brand verwoest Jodensavanne
- 1999 — Sefardim en Asjkenazim fuseren tot één gemeente
- 2023 — Jodensavanne op de UNESCO-Werelderfgoedlijst
Inhoud
- 1. De aankomst: vluchtelingen van de Inquisitie
- 2. Het privilege van 1665: een unicum in de wereldgeschiedenis
- 3. Jodensavanne — de "Joodse Savanne"
- 4. De moeilijke waarheid: slavernij en welvaart
- 5. Sefardim en Asjkenazim in Paramaribo
- 6. Het verval van Jodensavanne
- 7. Tweede Wereldoorlog: vluchtelingen en interneringskamp
- 8. Onafhankelijkheid en de hedendaagse gemeenschap
- 9. Jodensavanne als werelderfgoed
- 10. Een erfenis die blijft
- Bronnen en verder lezen
1. De aankomst: vluchtelingen van de Inquisitie
De geschiedenis van de Joden in Suriname begint in de eerste helft van de zeventiende eeuw. Sefardische Joden — afstammelingen van de in 1492 uit Spanje en in 1497 uit Portugal verdreven gemeenschap — zochten een veilig heenkomen in de Nieuwe Wereld.
Reeds rond 1639 stond de Engelse regering Sefardische Joden uit Nederland, Portugal en Italië toe zich aan de Wilde Kust te vestigen, in de oude hoofdstad Thorarica. In 1643 werd hier al een ketoeba (Joods huwelijkscontract) opgesteld.
Drie migratiegolven
Een tweede groep arriveerde in 1652 onder bescherming van de Engelse Lord Francis Willoughby. Een derde, beslissende migratiegolf volgde in 1664, toen de Fransen de Nederlandse kolonie Cayenne in Frans-Guyana veroverden en de Joodse planters daar verdreven.
Onder leiding van David Cohen Nassy trokken zij naar Suriname. Velen van hen hadden eerder al moeten vluchten uit het Nederlandse Pernambuco (Recife, Brazilië), nadat de Portugezen dit gebied in 1654 heroverden. Met hen reisden niet alleen kapitaal en mensen, maar ook geavanceerde kennis van suikerrietteelt en suikerverwerking — kennis die de jonge kolonie economisch zou transformeren.
2. Het privilege van 1665: een unicum in de wereldgeschiedenis
Op 17 augustus 1665 verleenden de Engelse autoriteiten de Joodse gemeenschap in Suriname een uitzonderlijk privilege. Zij kregen:
- Vrijheid van godsdienst
- Het recht synagogen en scholen te bouwen
- Een eigen rechtspraak
- Een eigen burgerwacht (militie)
Toen de Nederlanders in 1667 onder Abraham Crijnssen Suriname veroverden, en bij de Vrede van Breda het gebied definitief Nederlands werd, lieten zij deze rechten ongemoeid. In 1669 werden ze formeel bevestigd.
Volgens historica Aviva Ben-Ur werd de Surinaamse Joodse gemeenschap hiermee de enige diaspora-gemeenschap ter wereld met "volledige politieke autonomie" vóór de stichting van de staat Israël in 1948. Een unicum in de wereldgeschiedenis.
3. Jodensavanne — de "Joodse Savanne"
Enkele kilometers van de inheemse nederzetting Cassipora, op een hoger gelegen savannevlakte aan de Surinamerivier zo'n vijftig kilometer ten zuiden van Paramaribo, ontstond de eigen landbouwnederzetting Jodensavanne.
Beracha ve Shalom (1685)
In 1685 werd er een stenen synagoge gebouwd: Beracha ve Shalom ("Zegen en Vrede"), mede gefinancierd door Samuel Nassy. Het was een van de oudste synagogen in het westelijk halfrond. In 1691 verleende gouverneur Jan van Scharphuysen de nederzetting formele wettelijke status.
Bloei van de plantage-economie
De economische bloei was indrukwekkend. In 1694 telde het gebied al bijna 9.570 zielen — waarvan circa 9.000 tot slaaf gemaakte Afrikanen — verdeeld over meer dan veertig plantages. In 1737 stonden er 115 Joodse plantages rondom Jodensavanne, waar suikerriet, koffie, katoen en cacao werden verbouwd.
Eind zeventiende eeuw vormden Joden de helft van de Europese bevolking van Paramaribo. In de bloeitijd van de plantage-economie — Surinames "Gouden Eeuw" — vormden Joodse planters, in de woorden van historicus Bert Koene, "de ruggengraat van de jonge kolonie".
4. De moeilijke waarheid: slavernij en welvaart
Een eerlijke geschiedschrijving kan niet om de pijnlijke kern heen: de welvaart van Jodensavanne en van de Joodse plantersfamilies in Paramaribo was gebouwd op de arbeid van tot slaaf gemaakte Afrikanen.
Rond 1790 hielden Joodse plantages ongeveer 995 tot slaaf gemaakte mensen (972 Afrikanen en 23 inheemsen), tegenover 2.337 op christelijke plantages.
Geen stem voor afschaffing
De relatie tussen de Joodse gemeenschap en de slavernij was complex. Vanuit beide Joodse gemeenschappen — Sefardisch én Asjkenazisch — heeft nooit een stem geklonken voor afschaffing van de slavernij, ook niet rond de daadwerkelijke emancipatie in 1863. Opperrabbijn M.J. Lewenstein (1857–1864) werd nog lang "de rabbijn van de plantagebezitters" genoemd.
Het is een hoofdstuk dat onder ogen moet worden gezien als onderdeel van het volledige verhaal — niet om te beschuldigen, maar om te begrijpen.
De Eurafrikaanse Joden
Tegelijkertijd ontstond in Suriname een opmerkelijk fenomeen: de Eurafrikaanse Joden of "Zwarte Joden". Joodse mannen verwekten kinderen bij Afrikaanse vrouwen op de plantages; deze kinderen werden vaak Joods opgevoed en kregen Joodse namen.
In 1759 vormden zij de broederschap Darhe Jesarim ("Pad der Rechtvaardigen"), met een eigen gebedshuis aan het Sivaplein in Paramaribo. Tot 1841 mochten zwarte en gekleurde Joden niet volledig deelnemen aan de rituelen van de "witte" synagogen; ze zaten op aparte, lagere bankjes.
Volgens sommige historici zou tegen het einde van de achttiende eeuw de meerderheid van de Surinaamse Joden ten minste één Afrikaanse voorouder gehad hebben — ook als zij destijds als "wit" werden beschouwd.
Veel oorspronkelijk Joodse familienamen — Pinto, Nassy, Fernandes, De Granada, Robles de Medina — leven daardoor vandaag de dag voort als Afro-Surinaamse achternamen. Ook de namen van Saamaka-marronclans verwijzen vaak naar de plantages waar hun voorouders aan ontsnapten.
5. Sefardim en Asjkenazim in Paramaribo
Vanaf het begin van de achttiende eeuw arriveerden ook Asjkenazische Joden uit Midden- en Oost-Europa. Zij vestigden zich vooral in Paramaribo en bouwden in 1719 hun eigen synagoge: Neve Shalom ("Oase van Vrede").
De rijkere Sefardim volgden in 1735 met Tzedek ve Shalom ("Gerechtigheid en Vrede"). De twee gemeenschappen leefden lang gescheiden — er bestonden zelfs spanningen over rituelen en sociale status — maar het verschil zou met de tijd vervagen.
6. Het verval van Jodensavanne
De achttiende eeuw bracht crises die elkaar opvolgden:
- De Cassard-expeditie van 1712 legde een zware oorlogsschatting op.
- De Amsterdamse suikerraffinaderij Dietz stortte in 1773 ineen, gevolgd door de Europese financiële crisis.
- De opkomst van suikerbietenteelt in Europa (vanaf 1784) deed de wereldprijs voor rietsuiker dalen.
- De bodem van de oudste plantages raakte uitgeput.
- Plantages werden voortdurend bestormd door Marrons onder leiding van strijders als Boni.
De Joodse planters trokken weg. Plantages werden voor weinig verkocht aan schuldeisers en kwamen onder beheer van administrateurs in Nederland (absenteïsme). Rond 1770 begon de grote verhuizing naar Paramaribo.
In 1825 kregen Joden in Suriname formeel gelijke burgerrechten — maar verloren tegelijkertijd hun bijzondere autonomie van 1665. Op 10 september 1832 brandde Jodensavanne grotendeels af. Het oerwoud nam de ruïnes over.
7. Tweede Wereldoorlog: vluchtelingen en interneringskamp
In de jaren dertig groeide de stroom Europese Joodse vluchtelingen. NSB-leider Anton Mussert deed in december 1938 het cynische voorstel om de drie Guyana's tot een "Joods Nationaal Tehuis" te maken — door de Tweede Kamer afgewezen.
In 1942 arriveerde een groep van duizend Franse Joden via Portugal in Suriname. Na de oorlog werd, met steun van de Amerikaanse Freeland League, het Saramacca-project opgesteld: een plan om 30.000 Joodse ontheemden te vestigen in het district Saramacca. De Staten van Suriname keurden het in 1947 goed, maar het werd irrelevant toen in 1948 de staat Israël werd uitgeroepen.
Kamp Jodensavanne
Een schaduwzijde van diezelfde oorlog: bij de oude nederzetting werd Kamp Jodensavanne ingericht (september 1942 – juli 1946), waar 146 als "onverzoenlijken" aangemerkte geïnterneerden uit Nederlands-Indië — overwegend NSB-leden — werden vastgehouden. De omstandigheden waren hard; het kamp staat in de literatuur bekend als "de groene hel".
8. Onafhankelijkheid en de hedendaagse gemeenschap
Bij de Surinaamse onafhankelijkheid in 1975 vertrok het merendeel van de Joodse gemeenschap, vooral naar Nederland. De Binnenlandse Oorlog (1986–1992) versnelde het vertrek.
In 1999 fuseerden de Sefardische en Asjkenazische gemeenschappen tot één Israëlitische Gemeente Suriname; gebrek aan een minjan (tien volwassen mannen) maakte gezamenlijke diensten noodzakelijk. In 2004 sloot de gemeente zich aan bij de World Union for Progressive Judaism.
Bij de volkstelling van 2012 gaven nog 181 inwoners "Jodendom" als hun religie aan; de feitelijke gemeenschap telt circa 130 leden.
Synagoge en moskee als buren
De synagoge Tzedek ve Shalom wordt verhuurd; haar prachtige meubilair en cultusvoorwerpen zijn in langdurig bruikleen aan het Israëlmuseum in Jeruzalem. Actief is alleen nog Neve Shalom aan de Keizerstraat in Paramaribo — pal naast de Ahmadiyya-moskee Keizerstraat. Beide gebouwen delen een binnenplaats en parkeerplaats.
Het beeld van synagoge en moskee als directe buren is wereldwijd bekend geworden als symbool van Surinaamse religieuze tolerantie — een levend voorbeeld van vreedzaam samenleven.
9. Jodensavanne als werelderfgoed
In 1971 werd de Stichting Jodensavanne opgericht. Het terrein werd schoongekapt, de ruïnes van de synagoge geconserveerd en circa 450 graven blootgelegd.
Tijdens de Binnenlandse Oorlog raakte het gebied opnieuw overwoekerd; in 1999 werd het opnieuw vrijgemaakt. In 2009 werd Jodensavanne uitgeroepen tot Nationaal Monument.
Op 19 september 2023 werd "The Jodensavanne Archaeological Site: Jodensavanne Settlement and Cassipora Cemetery" officieel toegevoegd aan de UNESCO-Werelderfgoedlijst (criterium iii) — als enige plek in de Amerika's waar zeventiende-eeuwse Joden een autonome nederzetting hadden, met godsdienstvrijheid, eigen rechtspraak en eigen militie.
10. Een erfenis die blijft
Ook al is de gemeenschap klein geworden, het Joodse erfgoed van Suriname is overal aanwezig:
- In straatnamen en achternamen
- In graven onder het oerwoud bij Jodensavanne en Cassipora
- In de architectuur van de Keizerstraat
- In de Surinaamse keuken (denk aan pom, dat door sommige onderzoekers in verband wordt gebracht met Sefardische tradities)
Aan de seidermaaltijd vóór Pesach in Neve Shalom nemen vandaag steeds meer niet-Joodse Surinamers deel — christenen, hindoes, moslims. Het Surinaamse jodendom is daarmee niet alleen geschiedenis, maar een levend onderdeel van de Surinaamse identiteit van diversiteit en samenleven.
Het verhaal van de Joden in Suriname is een verhaal van vluchten en aankomen, van bouwen en verliezen, van privilege én onrecht, van scheiding én vermenging. Het verdient een blijvende plaats in het collectieve geheugen van Suriname en van zijn diaspora.
Bronnen en verder lezen
- Aviva Ben-Ur, Jewish Autonomy in a Slave Society: Suriname in the Atlantic World, 1651–1825, University of Pennsylvania Press, 2020.
- Aviva Ben-Ur & Rachel Frankel, Remnant Stones. The Jewish Cemeteries of Suriname. Epitaphs, Hebrew Union College Press, 2009.
- Wieke Vink, Creole Jews: Negotiating Community in Colonial Suriname, Brill, 2010.
- Robert Cohen, Jews in Another Environment. Surinam in the Second Half of the Eighteenth Century, Brill, Leiden, 1991.
- Julie-Marthe Cohen (red.), Joden in de Cariben, 2015 (Joods Cultureel Kwartier).
- Bert Koene, De mensen van Vossenburg en Wayampibo. Twee Surinaamse plantages in de slaventijd, Verloren, 2019.
- Herman Vuijsje, God zij met ons, Suriname. Religie als vloek en zegen, Walburg Pers, 2019.
- UNESCO World Heritage Centre, Jodensavanne Archaeological Site: Jodensavanne Settlement and Cassipora Cemetery (inschrijving 2023, nr. 1680).
- Stichting Jodensavanne (Suriname).
- Wikipedia, "Geschiedenis van de Joden in Suriname" en "Jodensavanne" (geraadpleegd 2026).